Volgens de Nederlandse wet geldt voor elke rechtszaak: ‘Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.’ Toch gebeurt dat niet altijd.

Eind 2015 eiste een woningeigenaar met hypothecaire lening van de Rabo voor de rechtbank Overijssel in kortgeding dat de bank zijn woning niet zou executeren. De executieopbrengst was op € 170.000 getaxeerd en de eigenaar had zijn pand voor € 320.000 verkocht en zou het 3 maanden later opleveren. Rabobank wilde daar niet op wachten en had liever de lagere executieopbrengst. De kortgedingrechter vond dit uitermate verdacht want het vonnis bepaalt: ‘Het feit dat (de afdeling bijzonder beheer van) Rabobank coute que coute lijkt aan te sturen op een openbare verkoop die blijkens de taxatie minstens een ton minder opbrengt dan de laagste verkoopprijs uit de koopovereenkomsten doet vermoeden dat Rabobank andere drijfveren heeft dan het realiseren van een zo hoog mogelijke verkoopopbrengst.’

Het vonnis bevat ook de volgende tekst: ‘Wat er ook zij van het betoog van de Rabobank, ter mondelinge behandeling en uit de producties werd pijnlijk duidelijk dat er verschillen en onjuistheden blijken te bestaan in de informatieverschaffing en stellingen van de afdeling bijzonder beheer van Rabobank enerzijds en (het optreden van) de plaatselijke vestiging van de Rabobank anderzijds.’

De rechter constateert dat Rabobank zich niet aan zijn wettelijke verplichting heeft gehouden. Een van de argumenten van de bank om snel te executeren was dat de woning niet verzekerd was. De woning was echter gewoon verzekerd. Ook had de bank onjuiste gegevens over het betaalgedrag verschaft. De huiseigenaar won (uiteraard) het kort geding.