Kort Geding Deelnemer Swapschade tegen ABN AMRO 4 april 2019: ABN AMRO Bank NV bedriegt Rechtbank Amsterdam

De President van de Rechtbank gaf na opening van de zitting het woord aan Mr. Bert Oude Middendorp die op verzoek van Swapschade als advocaat van de eisende MKB ondernemer tegen de ABN AMRO optrad. Oude Middendorp wees erop dat ABN AMRO de kredietrelatie zonder waarschuwing en zonder geldige reden had beëindigd en alle betalingen aan crediteuren, behalve aan zichzelf, met terugwerkende kracht had stop gezet. Ook de premies van de brandverzekering werden niet meer betaald. Dit terwijl de onderneming, nadat de swap in 2018 geëindigd was, weer winstgevend was en aan al haar verplichtingen voldeed.
ABN AMRO had in haar Conclusie van Antwoord aan de Rechtbank geschreven dat de financiële situatie van de onderneming verslechterd is en de onderneming niet aan haar rente- en aflossingsverplichtingen kan voldoen doordat het pand van de onderneming leeg staat en er geen huurinkomsten meer zijn. De advocaat van Swapschade reageerde op deze stellingen van de ABN AMRO als volgt: ‘Met deze onware stellingen wordt uw rechtbank bedrogen’ en vervolgde: De huuropbrengsten zijn op jaarbasis ruim € 85.000 en daarmee kan de onderneming aan al haar financiële verplichtingen voldoen, ook aan de rente- en aflossingsverplichtingen. Direct hierna vroeg de President aan de ondernemer hoeveel procent van het pand leeg stond. Haar antwoord was dat ongeveer 1/5 deel van het pand niet verhuurd is. Uit dit antwoord concludeert Swapschade dat de ABN AMRO Bank N.V. heeft getracht de rechtbank Amsterdam te bedriegen.

De Hoge Raad heeft in 2016 vastgesteld dat de beoordeling bij dit soort kredietbeeindigingen afhankelijk moet zijn van de feitelijke omstandigheden van het geval. Die waren in dit geval uitzonderlijk. In de rechtspraak was nooit eerder aan de orde geweest dat de problemen van de klant volledig door de bank waren veroorzaakt zoals in dit geval door de verkoop van een renteswap het geval was. Een andere unieke omstandigheid was dat de onderneming zo winstgevend is dat ze aan al haar rente-en aflossingsverplichtingen kan voldoen. Bovendien wees de advocaat van Swapschade erop dat door de handelwijze van de bank (beëindiging van het krediet, blokkade van alle betalingen en overplaatsing naar de afdeling Afwikkeling) het pand bij verkoop vele honderdduizenden euro’s minder zou opbrengen dan bij voortzetting van het krediet zodat de onderneming maar ook de bank ernstig werden benadeeld (althans wanneer buiten beschouwing blijft dat de ABN AMRO bij faillissement van haar klant van de swapschadeclaim verlost zou zijn (waarover de bodemrechter zich begin juni zal buigen).

Nadat ook het advocaten-duo van ABN AMRO, mrs F.R.H. Van der Leeuw en B.W. Wijnstekers, had gesproken stelde de bank in strijd met de haar bekende waarheid ook nog dat de huurinkomsten slechts € 65.000 per jaar bedroegen terwijl dat in werkelijkheid ruim € 85.000 was.

De President constateerde vervolgens dat de bank en de onderneming beiden belang hadden bij een zo hoog mogelijke verkoopopbrengst van het pand en dat de belangen van de bank en de ondernemer parallel liepen. Hij stelde voor dat partijen met elkaar zouden overleggen om tot een regeling te komen. Nadat Swapschade en de bank dit voorstel hadden ingestemd vroeg de President hoeveel tijd partijen hiervoor nodig dachten te hebben waarop mr. Oude Middendorp antwoordde dat 4 weken volgens hem voldoende zou moeten zijn. Nadat de ABN AMRO hiermee ingestemd had deelde de President mee dat hij, wanneer partijen het niet eens zouden worden, 4 weken later alsnog vonnis zou gaan wijzen.

Pieter Lakeman